Wist je dat:

De eerste soort klokken die mens gebruikte waren zonnewijzers waarbij de draaiing van de aarde een maat van de tijd aangaf. In de toekomst werden er nog veel meer soorten klokken en andere mechanismen uitgevonden zoals de zandloper. Samen met de mechanismen van die tijd en de zandloper heeft men uiteindelijk het mechanische slinger uurwerk uitgevonden. Vanaf dat moment kon de mens met enige nauwkeurigheid de tijd meten. Zelfs tot aan de 16e eeuw was de klok de ingewikkeldste machine die de mens kon maken.

Het slingeruurwerk:

Een slingeruurwerk is als ware een soort van klok, die werkt doordat een slinger constant heen en weer blijft gaan. Als de uitwendige krachten die op een slinger werken klein zijn ten opzichte van de zwaartekracht, zal de tijd waarin de slinger heen en weer zwaait praktisch constant blijven. Op die manier zorgt de slinger dat de klok gelijkmatig blijft lopen en dat was een belangrijke ontwikkeling in de tijdmeting.
 
Om te voorkomen dat de slinger stil kwam te hangen na een paar minuten moest de slinger elke keer een zetje krijgen. De oudste slingeruurwerken werden aangedreven door middel van gewichten, en die gewichten moesten dan om de zoveel tijd weer omhoog worden getrokken. Later werden de klokken steeds vaker aangedreven doormiddel van een gespannen veer, die dan ook regelmatig weer moest worden aangespannen.
 
De oude slinger klokken van vroeger waren vrij nauwkeurig voor toen der tijd en een normale slinger klok kon een minuut verschil maken per week vergeleken met de klokken die we nu allemaal in huis hebben.

Nog nauwkeuriger:

De tijd meten kon later nog nauwkeuriger worden doormiddel van een kwartskristal. De werking van een kwartskristal is berust op piëzo-elektriciteit,  vervorming als gevolg van een elektrische spanning en omgekeerd. Een klok met een kwartsuurwerk kan een afwijking van minder dan 1 seconde per week hebben. Bij de meeste moderne klokken van vandaag de dag wordt ook nog steeds gebruik gemaakt van een kwartsuurwerk.
 
De meest nauwkeurige klokken die er op dit moment zijn, zijn atoomklokken. De atoomklok is rechtstreeks gebaseerd op de definitie van een seconde.
 
Naast de zonneklokken zijn er ook andere klokken die nog steeds gebruik maken van een externe bron. Dat zijn bijvoorbeeld de radiografische klok en de radiocontrol klokken.

Radiografische klokken:

De radiografische klok is een klok die door radiosignalen altijd wordt gelijk gezet. De radiosignalen voor de klok worden gestuurd via een zender die is gekoppeld aan een gestandaardiseerde klok, wat meestal een atoomklok is. Het voordeel van een radiografische klok is dat het zowel een digitale klok kan zijn als een analoge klok. Een radiografische klok bestaat uit een kleine antenne voor het oppikken van het radiosignaal en een elektrisch circuit om het signaal te vertalen in tijd en deze dan vervolgens weer te geven.
 
Op veel verschillende plekken op aarde staan stations die radiosignalen verstuurd, laag in het lange golf bereik. In Europa is DCF77 de bekendste tijdseinzender. Steeds meer apparaten maken gebruik van tijdsynchronisatie en van de tijdcode die door GPS satellieten worden uitgezonden.

Radio controlled klokken:

Dankzij een zender in Frankfurt (de DCF77) kan een radio controlled klok zijn tijdsinformatie ontvangen. Op één dag vinden er meerdere vergelijkingen plaats tussen de klokken en de zender. Het signaal dat wordt uitgezonden kan negatief worden beïnvloed door bepaalde storingsbronnen zoals computerapparatuur, TL verlichting en andere apparaten die in de buurt van de klok zijn. Een radio controlled klok moet minstens 3 tot 4 cm van een bron afstaan of hangen. Naast het apparatuur in de buurt van de klok kan ook de constructie van een gebouw de stoorzender zijn, en kan dan ook invloed hebben op het ontvangst van de klok.     

De tijdsweergave

De analoge wandklok zoals wij hem kennen heeft gewoonlijk een wijzerplaat en 2 of 3 wijzers die door het uurwerk wordt aangedreven. De wijzers zijn bevestigd aan een gemeenschappelijke centrale as in het midden van de klok zijn wijzerplaat. De rest van de klok zijn mechaniek bevind zich achter de wijzerplaat. De kleine wijzer ook wel genoemd de urenwijzer maakt één omwenteling per twaalf uur, de wijzer beweegt dan ook langs de (meestal) twaalf merktekens op de wijzerplaat: cijfers, strepen of andere symbolen die de tijd aangeven op de klok.
 
De zonnewijzer heeft maar één wijzer en wordt dan gewoonlijk ook als niet nauwkeurig af te lezen beschouwd. Daarom heeft de gewone klok nog een extra wijzer (de grote wijzer) oftewel de minuutwijzer, deze wijzer dan ook altijd groter dan de uurwijzer en daardoor zijn ze ook gemakkelijk uit elkaar te houden. De grote wijzer maakt ook één omwenteling per uur en daardoor is de tijd duidelijker en makkelijker af te lezen. Voor de mensen die ook nog de seconden nauwkeurig willen aflezen kan er een derde wijzer op klok zijn, die wijzer is dunner dan de minuut - en uurwijzer en één omwenteling per minuut maakt.
 
Er zijn ook klokken die meer dan alleen de tijd kunnen aangeven, op sommige klokken wordt ook de datum aangetoond en soms zelfs ook de naam van de dag. Er zijn ook digitale klokken die het jaartal kunnen aangeven. Er zijn zelfs klokken die de stand van één of meer hemellichamen kunnen aangeven. Weer andere klokken kunnen geluidssignalen afgeven voor een bepaald moment dat is ingesteld, neem bv. de eierwekker en de gewone wekker. Sommige klokken zijn ingebouwd in andere apparaten zoals de computer, televisie, mobiele telefoons, en die klokken zijn dan niet alleen bedoeld om de tijd aan te geven maar ook om gebeurtenissen op een bepaalde tijd doen, of om een tijd te gaan registreren.

Hoe krijgt een klok energie:

De energie van een klok wordt meestal uit een mechanische of elektrische bron getrokken. Een mechanische bron bestaat vaak uit een veer of een gewicht. De bron voor een elektrische klok bestaat meestal uit onder andere een batterij of een accu het lichtnet of zelfs zonnecellen. Er zijn ook horloges die gebruik maken van een armbeweging, als je dan je arm beweegt windt je de veer op of een accu.